“Is er niemand die we kunnen waarschuwen om bij u te blijven ?” vroeg de internist aan
de vrouw die ging vertrekken. Haar antwoord was kort en zonder enige emotie:
“Neen, niemand”. Het lichaam van haar net overleden dochter zou dadelijk
opgehaald worden om te worden gereed gemaakt voor de begrafenis. Na veelvertwijfeling had de moeder erin toegestemd om de organen van het hersendode
meisje af te staan om andere zieken te helpen.
De alleenstaande moeder verliet het ziekenhuis, alleen. Er was niemand om op te
bellen om bij haar te zijn. Er was niemand om haar te begeleiden in deze
nachtmerrie. Niemand die met haar mee naar huis ging om haar te troosten. Ze
had niemand. “Gelukkig zijn er niet veel mensen in zo’n situatie”, probeerde
een jonge verpleegster die haar nakeek. “Ik ben bang van wel,” antwoordde ik.
Je wordt steeds vaker geconfronteerd met mensen die geen of bijna geen
gezinsleden of nauwe vrienden hebben om hen te ondersteunen als een groot
verdriet toeslaat. In onze onsamenhangende, uiteenvallende en steeds mobielere
cultuur hebben steeds meer mensen weinig mensen met wie ze een echte, diepe
band hebben.
Eén van de eerste dingen die de Bijbel leert is: “Het is niet goed dat de mens alleen zij”
(Genesis 2, 18). De mens is niet gemaakt om alleen te zijn. We zijn gemaakt om
samen te zijn. Samen met God. Het “in de avondkoelte wandelen met God in de Hof
van Eden” is het beeld dat ons daarvan in de Bijbel gegeven wordt, totdat de
zonde dat samenzijn breekt want de mensen gaan zich voor Hem verbergen (Genesis
3, 8). Die breuk in het samenzijn met God leidt al snel daarna ook tot een
breuk in het samenzijn tussen de kinderen van God onderling (Genesis3, 12). Ze
gaan elkaar beschuldigen, de onderlinge vrede is weg. En zoveel van wat ge
verderop in de Bijbel leest zijn verhalen van breekbare relaties die eindigen
in steeds verdere verwijderingen tussen mensen omdat de zonde hen steeds verder
en verder van elkaar isoleert.
Het kan ons dan ook niet verbazen dat één van de grote gevolgen van de vergeving van die
zonden door Jezus’ offer het ontstaan van de kerk was, de plaats waar relaties
werden hersteld en vernieuwd. Vanaf de eerste Pinksterdag kwamen enkele
duizenden mensen tot bekering en de Heer bracht hen samen in een gemeenschap
van oprechte eenheid (Handelingen 2, 38-41). En die eenheid werd beleefd bij
ontmoetingen van grote groepen gelovigen waar Gods aanwezigheid en liefde werd
ervaren, maar ook bij ontmoetingen in kleine groepjes in privé-huizen voor meer
intieme ontmoetingen waar onder andere ook het Breken van het Brood op Witte
Donderdag werd herdacht. En de mensen die dit van op afstand zagen, keken dan
ook heel verbaasd toe naar wat er daar gebeurde. Wat zoveel eeuwen lang
verbroken was geweest, begon zich nu te herstellen: relaties tussen mens en
God, en relaties tussen mensen onderling.
Lukas beschrijft hoe dat samenleven in de praktijk verliep (Handelingen 2, 41-47), en
die beschrijving is ook vandaag nog het ideaal voor christelijke gemeenschappen.
Niet alleen in de grotere feestelijkere samenkomsten genieten van het
samenzijn, van de eenvoud en van de blijdschap die daaruit voortvloeit, maar
ook en misschien zelfs nog meer in de warmte thuis waar mensen in oprechte
gastvrijheid hun vriendschap, hun blijdschap en hun verdriet, kortom hun leven
met mekaar delen op een manier die het uiteindelijk onmogelijk maakt om
geïsoleerd en eenzaam de donkere nacht van verdriet en spijt te moeten ingaan
na bijvoorbeeld het overlijden van een dochter.
God maakte ons tot gezelschapswezens: mensen die bedoeld zijn om dingen met elkaar te
delen.