Het was een koude, ja zelfs witte kerstnacht. De man in zijn keuken
hoorde een zich herhalend, ongelijkmatig klappend geluid tegen zijn glazen
achterdeur. Hij ging naar zijn raam, deed het gordijn wat opzij, en keek wat er
aan de hand was. Een groepje kleine, bibberende mussen, aangetrokken door de
warmte achter de keukendeur vlogen om beurten vruchteloos tegen het glas van de
achterdeur.
De man was wat aangedaan door het zinloze proberen van de vogeltjes. Hij
dacht even na, trok toen zijn jas aan en stapte door de sneeuw naar de ook
verwarmde loods achter het huis. Hij opende de deur ervan zodat de vogeltjes
daar binnenkonden. Hij liet het licht aan en stapelde in een hoek een hoop hooi
op waarin ze zich konden warm houden. Maar de mussen die in alle richtingen
uiteengezwermd waren toen hij naar buiten was gekomen, hielden zich angstig in
de duisternis verborgen.
De man probeerde hen naar binnen te lokken. Hij legde broodkruimels op
het pad van het huis naar de loods om hen de weg te wijzen, hij probeerde hen
te lokken door tsjilpend hun geluid na te bootsen, hij probeerde achter de
plaats waar de mussen zich verborgen te geraken en hen dan op te jagen in de
richting van de loods… maar niets hielp. Hij, met zijn grote, lomp bewegende
figuur, joeg hen schrik aan. De vogels konden niet begrijpen dat de rare dingen
die ze hem zagen doen, bedoeld waren om hen te helpen.
De man ging terug naar zijn huis en keek of hij de tot voortdurende
koude veroordeelde vogels nog ergens zag rondzwerven. Terwijl hij keek sloeg
een gedachte als een bliksem door hem heen. “Als ik nu eens een vogel zou
kunnen zijn, één van hen, slechts voor even. Dan zou ik ze niet afschrikken,”
dacht hij. “Dan zou ik hen kunnen tonen waar ze warmte en veiligheid zouden
kunnen vinden”. Een andere gedachte drong zich meteen aan hem op. Plots had hij
begrepen wat Jezus die kerstavond, zo’n 2.000 jaar geleden was komen doen .